De inflatie van ‘traject’

"Er volgt nu een heel traject van verkopen, verhuizen, huren, weer verhuizen…", waarschuwt de makelaar. "Via dat traject kunnen we het oplossen", zegt mijn eindredacteur op het werk. "Ik ben nu bezig met dat traject", zegt een collega. Wat bedoelen ze met dat ge-traject?

Het woordenboek vertelt me met het arrogante lachje dat woordenboeken nu eenmaal kenmerkt, dat ‘traject’ drie dingen betekent. Ik som ze kort op:

-Verbinding tussen twee plaatsen
-Gedeelte van een afgelegde weg
-Opeenvolgend stuk van encyclopedie

Betekenisverschuiving

Hier is sprake van een betekenisverschuiving. Al snel wordt het in de dagelijkse omgangstaal een ander woord voor ‘weg’. Zoals in de zin van de makelaar in het voorbeeld. En dan wordt het ook ‘weg’ in de overdrachtelijke betekenis van het woord, synoniem van ‘manier’. Zoals in de zin van de eindredacteur.

Maar dan begint de inflatie pas. Zoals in de zin van de collega. Want wat wil hij eigenlijk zeggen? "Ik ben bezig met waar jij het over hebt." Of sterker nog: "Ik ben bezig met dat dinges." ‘Traject’ is dan een smurfwoord geworden. Gewoon een manier om een hiaat in de woordenschat van mijn collega te vullen.

En voor je het weet vliegen de trajecten je om de oren. Het ene traject na het andere komt langs. En niemand weet meer wat ze bedoelen.

Voor wie het weten wil: ‘traject’ komt van het Latijnse Traiectum, wat ‘weg’ betekent. Plaatsnamen als Utrecht en Maastricht hebben dezelfde oorsprong.

Lees ook:Lubbers wil ‘ontverdonken’
Lees ook:Buurtpreventie
Lees ook:Je van het: het beste van het beste
Lees ook:Alle ogen gericht op Kwatta
Lees ook:Vegetarische mensen bestaan niet!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

Naam

Website

Het kan vijf minuten duren voordat nieuwe reacties zichtbaar zijn.