Het weze ze vergeven

God, of in elk geval de Taalprof, straft meteen. Eerder deze week kreeg ik een -overigens terechte-  veeg uit de pan van de Taalpuristen. Zo streng waren ze echter niet voor me, want ze zeiden erover: "Het weze hem vergeven." Dit kwam ze te staan op ernstig commentaar van de geheimzinnige grammaticablogger Taalprof. Het weze hem vergeven? 

 

 

Wat is hier aan de hand? De Taalpuristen gebruiken een aanvoegende wijze van het werkwoord 'zijn'. Een synoniem van 'zijn' is 'wezen'. Sterker nog, 'zijn' heeft geen eigen verleden tijd en voltooid deelwoord. Daarvoor gebruiken wij 'was', 'waren' en 'geweest'. Van 'wezen' dus.

'Zijn' en 'wezen' kun je dus volledig door elkaar gebruiken. 'Ben eens stil' mag, naast 'wees eens stil'. 'Dat kan wel zo zijn' is gelijk aan 'Dat kan wel zo wezen'. En daarom, zo dachten de Taalpuristen, 'het weze hem vergeven' kan in plaats van 'het zij hem vergeven'.

Er is echter één valkuiltje. En dat is die aanvoegende wijs op zich. Die is eigenlijk achterhaald. In het Nederlands gebruiken we hem nauwelijks meer. En als we hem gebruiken, dan slechts in een paar clichés. 'Het zij zo', is er een. Een ander vind je wel eens in kookboeken. 'Men neme een snufje saffraanpoeder' of 'Men lene een ei'.

En in 'Het zij je vergeven'. In deze gevallen hebben we het over staande uitdrukkingen. En het is met staande uitdrukkingen nu eenmaal zo, dat het vreemd is daarvan af te wijken. Volgens de grammaticale regels van 1900 is er weinig aan te merken op 'het weze hem vergeven'. Maar voor modern weblognederlands is het gewoon net iets te stoffig.

Maar ach, ik vergeef het ze. 

 

 

Lees ook:‘Ben eens stil’ mág…
Lees ook:Taalprof wel, ik niet
Lees ook:Tegen taalterreur!
Lees ook:Onsportieve trollen
Lees ook:Nederlandser dan ze lijken